Op het theorie-examen moet je de belangrijkste verkeersborden direct herkennen. Gelukkig volgen ze een vast systeem: aan de vorm en kleur zie je meestal al wat voor soort bord het is, nog voordat je het symbool leest. De letters en cijfers bij de borden hieronder (zoals B6) zijn de officiële codes uit bijlage 1 van het RVV 1990.
Vorm en kleur
- Driehoek met rode rand, punt naar boven: waarschuwing voor gevaar.
- Driehoek met de punt naar beneden: voorrang verlenen.
- Rond met een rode rand: verbod of maximumsnelheid.
- Rond en blauw: gebod, je moet iets doen, zoals een rijrichting volgen.
- Vierkant of rechthoekig en blauw: informatie of aanwijzing, zoals parkeergelegenheid of een zebrapad.
Voorrang
Voorrangsweg: je hebt voorrang op de kruispunten.
Einde voorrangsweg.
Voorrangskruispunt: op het eerstvolgende kruispunt heb jij voorrang.
Voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg (vaak met haaientanden).
Stop: altijd stoppen en daarna voorrang verlenen.
Snelheid
Maximumsnelheid 30 km/u.
Maximumsnelheid 50 km/u.
Maximumsnelheid 80 km/u.
Einde maximumsnelheid 50 km/u: daarna geldt de algemene limiet voor die weg.
Adviessnelheid 70 km/u: geen verplichting, wel verstandig.
Verboden en geboden
Gesloten voor alle voertuigen, in beide richtingen.
Verboden in te rijden (vaak het einde van een eenrichtingsweg).
Inhaalverbod voor motorvoertuigen (motoren en bromfietsen mag je wel inhalen).
Rotonde: rijd in de richting van de pijlen.
Verplicht aan deze kant langs het obstakel of de vluchtheuvel.
Parkeren en stilstaan
Parkeerverbod: kort stilstaan om in of uit te stappen of te laden en te lossen mag wel.
Stopverbod: je mag hier helemaal niet stilstaan.
Parkeergelegenheid.
Soort weg
Autosnelweg: alleen motorvoertuigen die minstens 60 km/u kunnen en mogen rijden.
Autoweg.
Erf (woonerf): stapvoets rijden, parkeren alleen in de vakken.
Begin bebouwde kom: 50 km/u, tenzij anders aangegeven.
Einde bebouwde kom: 80 km/u, tenzij anders aangegeven.
Voetgangersoversteekplaats (zebrapad).
Waarschuwing
Let op kinderen, bijvoorbeeld bij een school.
Let op overstekende voetgangers.
Let op: verkeerslichten.
Markeringen op de weg
- Haaientanden: voorrang verlenen, op de plek waar ze liggen.
- Doorgetrokken streep: niet overschrijden, ook niet om in te halen.
- Onderbroken streep naast een doorgetrokken streep: je kijkt naar de streep aan jouw kant. Ligt de onderbroken streep aan jouw kant, dan mag je de strepen overschrijden.
- Blokmarkering: scheidt bijvoorbeeld een in- of uitvoegstrook van de doorgaande rijbaan.
- Gele streep langs de stoeprand: onderbroken is een parkeerverbod, doorgetrokken een stopverbod.
- Pijlen op de rijstrook: geven aan welke richting je vanaf die strook mag nemen.
Borden en markeringen bepalen vaak wie er voorrang heeft. Lees daarom ook de uitleg over voorrangsregels.